Source of Information

From Wiki Sandbox - Vlaamse Erfgoedbibliotheken
Jump to navigation Jump to search

Main page

General characteristics of a title page[edit | edit source]



Not every page at the beginning of a work is a title page. Different elements are needed to consider a page a title page. Not all of those elements need to be present, but at a minimum a title page needs to contain a title. In some cases that title may be very vague. Other elements may be absent. In most cases, a title page will distinguish itself from the rest of the book by its layout and typography.


The title page may contain the following elements:

  1. Title of the work
  2. Author(s) of the work
  3. Edition statement
  4. Imprint
  5. Printer's device
  6. Ornaments and illustrations

These elements are treated in more detail later on in this section.

Pages with titles[edit | edit source]

Publications often contain different pages featuring a title or part of the title. We distinguish the following types:

Half title, French title, Schmutztitel or 'voortitel'[edit | edit source]

Often the first title page, which contains a highly condensed title. We mostly use the term 'half title' (also known as 'French title').


The German term 'Schmutztitel' refers to this page's function: since usually books in a bookshop weren't bound yet and the gatherings were stacked, the Schmutztitel at the top of the stack served as a protection against dust and dirt. The shortened title helped the bookseller to immediately see on which stack the requested book was.


During the binding, this page was sometimes removed. A half title is never considered a title page.

Frontispiece[edit | edit source]

A frontispiece is an illustration in the prelims that characterises the whole work and may, at most, contain a title or elements of the title. As soon as such an illustration also contains an author or information from the imprint, it is defined as an engraved title page.


A frontispiece is never considered a title page. By definition, a frontispiece is an illustration, whereas a Schmutztitel or half title is never illustrated.

File:Frontispice STCV 6938956 SESA-Mechelen A 11815.jpg
Frontispiece
SESA-Mechelen A 11815 f. π1 recto
STCV 6938956

Collective title page[edit | edit source]

This page contains a cover title or collective title. This type of title is often found in a multi-volume work or a work that, due to its extent, it published in multiple parts. Each part or volume usually has its own title page but at the front of the first volume, a collective title page is sometimes added later.


Sometimes the title page of the first volume functions as a collective title page. In that case, this title page is sometimes of a more decorative layout/typography than the other title pages of the remaining volumes. We then consider this title page to be a collective title page.

File:Collective title page STCV 12894198 EHC F 215121.jpg
Collective title page
EHC F 215121 1# f. *1 recto
STCV 12894198

Typographical title page[edit | edit source]

On a typographical title page, one or more elements are present in typography (moveable type). This does not mean there cannot be an engraving (illustration and/or engraved text), a woodcut or an ornament as well. As soon as typography is used on a title page, it is defined as a typographical title page.

Engraved title page[edit | edit source]

An engraved title page is a title page that is completely engraved, both the text and any potential illustrations. Not every engraved title page contains an illustration.


Sometimes the engraved title page is cut out of the copy. Since engraved title pages are often printed separately, and therefore added to a gathering, it is not always clear whether there was or wasn't an engraved title page present.

Hierarchy[edit | edit source]

Works often contain different title pages, with different spellings or wordings of the title. To achieve uniformity in the bibliographical descriptions, a strict hierarchy is established to identify the main title of the work. This has the advantage, both for the cataloguer as for the user, that there is no doubt about the choice of main title if there are for example multiple title pages present in a publication.

The hierarchy is as follows:

  1. Cover title or collective title on a separate, so-called collective typographical title page for multi-volume works. If there is only an engraved collective title page present, then the preference goes to the typographical title page of the first volume.
  2. Title on the typographical title page
  3. Title on the engraved title page
  4. Title on the printed cover (very rare for Flemish imprints)
  5. Title/caption above the text (not a title page in the strict sense of the word, the text starts immediately after the title on that same page)
  6. Incipit (first meaningful words of the text itself)
  7. Running title (title that is printed at the top of the page and repeated throughout the entire work)
  8. Self-selected title on the basis of an earlier edition of the same work
  9. Self-selected title on the basis of the half title, a mention in the prelims, in the privilege, in the approbation or elsewhere in the document
  10. Self-selected title on the basis of the general contents of the work

5. HET HANDGEDRUKTE BOEK ONTLEED[edit | edit source]

Niet alleen het productieproces verschilde met hoe boeken vandaag de dag worden gemaakt, er zijn ook enkele verschillen op te merken in het boek zelf. Zo bevat een titelpagina vandaag de dag andere informatie dan vroeger het geval was en ook de opmaak van een tekst kan grondig verschillen. Door deze elementen te bestuderen, krijgen we inzichten in hoe boeken vroeger werden gemaakt.

5.1 Onderdelen van het vroegmoderne boek[edit | edit source]

Doorheen de vroegmoderne periode veranderde de opbouw van het vroegmoderne boek slechts weinig: boeken uit de zestiende of achttiende eeuw volgen dezelfde algemene structuur, terwijl de stijl en ontwerp van het boek slechts lichtjes verandert op vlak van nieuwe trends in de lay-out, lettertypes, ornamenten en illustraties. We kunnen bij een gesloten boek steevast een aantal vaste elementen herkennen, zoals de rug, het voor- en achterplat en de snede.

Als we het boek openen, vinden we het boekblok terug, omgeven door schutbladen die door de boekbinder zijn toegevoegd om het boekblok te beschutten of beschermen.

Bladeren we doorheen het boek, dan komen we enkele vaste herkenningspunten tegen. Zo is er in de meeste gevallen een titelpagina aanwezig. Een titelpagina onderscheidt zich van andere pagina’s door de aanwezigheid van een titel en haar typische layout. Verder kan een titelpagina een auteursvermelding, een editievermelding, een impressum, een drukkersmerk, ornamenten en illustraties bevatten. Het impressum verschaft ons informatie over wie de tekst drukte en waar en wanneer dat gebeurde.

De titelpagina ontstond in de vroegmoderne periode. Middeleeuwse handschriften beschikken niet over titelpagina’s. In codices ving de tekst immers onmiddellijk aan, soms voorafgegaan door het Latijnse woord ‘incipit’ (het begint) en een korte titel van het werk. De titelpagina ontstond in een context van veranderingen, waarin drukpersen een grote oplage aan identieke exemplaren tot stand brachten, die moesten beschermd worden tegen vuil, maar ook reclame nodig hadden om te verkopen. Dit leidde er eerst toe dat het begin van de tekst van de eerste naar de tweede of derde bladzijde verschoof, om schade aan de tekst te voorkomen. Met stapels boeken op de planken telkens omgeven door een blanco vel, moest de boekverkoper in één oogopslag exemplaren van een bepaalde editie kunnen herkennen. Om die reden voegde men korte titels toe aan de blanco vellen ter identificatie, de eerste franse titels. Gaandeweg werd het belangrijker om boeken ook te verhandelen door reclame te maken voor een auteur of het drukkershuis op een apart blad met de titel. Daar kwam ook decoratie aan te pas, om het blad visueel aantrekkelijker te maken, door het gebruik van kaders en illustraties van houtsneden of gravures. Zo kreeg een titelpagina naast de informatieve functie een bijkomende functie als verkoopinstrument.

Bij een typografische titelpagina is er typografie aanwezig, dat wil zeggen dat de tekst met losse letters gedrukt is. Dit neemt niet weg dat er ook een gravure (illustraties en zelfs gegraveerde tekst), houtsnede of ornament aanwezig kunnen zijn.

Niet elk blad aan het begin van een tekst is een titelpagina. Zo zijn er in een vroegmodern boek ook andere pagina’s te vinden waar de titel of een deel van de titel te zien is. Een eerste type is de franse titel, ook wel Schmutztitel of voortitel genoemd. Omdat boeken bij de boekhandelaar meestal ongebonden waren en gestapeld werden per exemplaar, voegde de handelaar een sterk verkorte titel toe aan de bovenkant van de stapel ter bescherming tegen vuil en stof. Door de verkorte titel wist de boekhandelaar onmiddellijk om welke editie de stapel katernen het ging. Tijdens het binden van het boek werd dit blad vaak verwijderd, maar in sommige exemplaren kunnen we de franse titel nog terug vinden. Een franse titel wordt nooit als titelpagina beschouwd.

Een tweede type is de frontispice, een illustratie die in het voorwerk te vinden is en het hele werk karakteriseert. Ook al bevat de frontispice soms een deel van de titel, beschouwen we dergelijke pagina’s niet als een titelpagina.

Dat is wel het geval van zodra er een auteursvermelding en informatie over het impressum aanwezig is. Dan spreken we van een gegraveerde titelpagina: een titelpagina waarin of -rond een illustratie en tekst in diepdruk is aangebracht. Niet elke gegraveerde titelpagina bevat een figuur of een afbeelding. Zowel de gegraveerde titelpagina als de typografische titelpagina zijn bruikbaar voor het beschrijven van oude drukken. Als ze allebei aanwezig zijn, krijgt de typografische titelpagina de voorkeur.

Naast de titelpagina bestaat uit een vroegmoderne druk uit een hoofdtekst, voor- en nawerk. Het geheel aan teksten dat we voor en na de hoofdtekst vinden, noemen we de paratekst. Deze tekstdelen werden vaak pas gedrukt nadat de hoofdtekst volledig van de persen was gekomen. Ze werden dan ook vaak als laatste geschreven. Er zijn verschillende soorten parateksten te onderscheiden, zoals de opdracht waarin de auteur zijn of haar werk aan iemand opdroeg, een voorwoord van de drukker of auteur aan de lezer, een inhoudstafel, een index of register en een lijst met fouten (errata).

Wat we ook vaak terugvinden is legale paratekst waarin de wereldlijke en/of de kerkelijke overheid de toestemming gaf om de tekst te drukken. In de vroegmoderne periode mochten drukkers niet zomaar teksten drukken, ze moesten daarvoor eerst de toestemming vragen, zodat er zeker geen teksten in circulatie kwamen die zich uitspraken tegen de katholieke leer, ketterij bevatten of het regime van de stad of staat in twijfel trokken. Door deze toestemming mee op te nemen in de druk die ze op de markt wilden brengen, kwamen drukkers tegemoet aan de verplichting die de overheden hen oplegden, maar konden ze ook hun doelpubliek overtuigen van hun goede bedoelingen. De legale paratekst duikt op in verschillende vormen, maar grofweg gaat het om vijf verschillende teksten. Het gaat in de eerste plaats om een censura, een verslag opgemaakt door een censor die de tekst nakeek op inhoudelijke onregelmatigheden en tekstdelen die strijdig zijn met de katholieke leer. Daarnaast vind je een approbatie terug, waarmee de Kerk de goedkeuring gaf om te drukken. Iets zeldzamer is de facultas, de toelating van een superieur aan een lid van een geestelijke orde om een boek te laten drukken.  Verder bevat een oude druk vaak een licentie, waarmee de wereldlijke overheid in naam van de koning toestemming verleende, en een privilege, waarbij een instantie (de koning of regelgevende overheid) de drukker het exclusieve recht gaf een tekst in een bepaalde tijdspanne te drukken. De legale paratekst biedt ons niet alle een unieke inkijk in de stappen die drukkers moesten ondernemen vooraleer ze een druk op de markt konden brengen, ook verschaffen ze ons vaak aanvullende informatie over wie, wanneer, waar en wat drukte.

Dat geldt ook zo voor het colofon, dat is een impressum dat we aan het einde van het boek of aan het einde van een tekstdeel aantreffen. Het bevat, zoals een impressum, informatie over wie waar en wanneer iets drukte. Het gebruik van het colofon vindt zijn oorsprong bij de handschriftelijke traditie, toen er nog geen sprake was van een titelpagina en men de hoofdtekst gewoon aanving. Informatie over het productieproces voegde men dan aan het einde van de tekst toe. Deze praktijk zien we ook nog bij incunabelen. In later drukwerk kan het voorvallen dat er zowel een colofon als een impressum op de titelpagina tegenkomen. Het is dan steeds aangewezen om na te kijken of het colofon aanvullende informatie bevat over het drukproces.

5.2 Op het blad[edit | edit source]

Naast de algemene opbouw van vroegmoderne drukken, is de mise-en-page op een blad doorheen de vroegmoderne periode redelijk gelijklopend. Op een bladzijde vinden we zo verschillende elementen terug die voorkwamen in alle soorten drukwerk. Zo bestaat een blad uit de hoofdtekst, die eventueel omgeven is door illustraties in houtsneden of gravures. De eerste letter van een nieuwe paragraaf is soms versierd, dit noemen we de initiaalletter. In de marges kunnen we bovendien ook stukken tekst aantreffen, vergelijkbaar met hoe we vandaag de dag extra informatie opnemen in voetnoten. Bovenaan is er vaak een lopende titel te vinden, iets wat we ook tegenkomen bij moderne publicaties. In de rechterbovenhoek vinden we een paginering of foliëring. Folio is hier het synoniem voor een blad (en niet het formaat), terwijl een pagina de voor- of achterkant vormt van een blad, de bladzijde. Vooral in de beginperiode folieerden drukkers hun teksten, dat wil zeggen dat ze het boek nummerden per blad. Vanaf de zestiende eeuw maakten ze ook een nummering op per bladzijde, dat noemen we de paginering. Vanaf de zeventiende eeuw kwam een paginering vaker voor dan een foliëring.

Onderaan treffen we dan weer de eerder vermelde katernsignaturen en bladwachters aan, die de volgorde van de bladen in een katern aangeven. Bij de vroegst gedrukte teksten, de incunabelen, waren er aanvankelijk nog geen gedrukte signaturen terug te vinden, ze werden dus met de hand toegevoegd. Later schakelde men dan toch over op gedrukte signaturen, die vaak in onderkast voorkwamen. In de zestiende en zeventiende eeuw ging men over tot katernsignaturen in de bovenkast voor de hoofdtekst en was er meer regelmaat terug te vinden. Zo signeerde men de helft van de bladen in een katern plus het eerste blad na het midden. Vanaf de achttiende eeuw gebruikten zetters steeds minder signaturen per katern. Omdat de paratekst gewoonlijk pas na de hoofdtekst gedrukt werd, gebruikte zetters hiervoor aparte katernsignaturen. Terwijl de hoofdtekst aanving met de hoofdletter ‘A’, kon de paratekst gesigneerd zijn met een kleine letter ‘a’, of met symbolen, zoals ‘*’ of ‘§’. Deze tekens worden gevolgd door Arabische of Romeinse cijfers, die aanduiden om welk blad het gaat in de opeenvolging van bladen in een katern.